Gawain

MILDHEID

Sir Gawain staat symbool voor het tweede Klaverblad. Hij wordt vaak geprezen om zijn ridderlijkheid, Mildheid en dapperheid. Bovendien staat hij bekend om zijn eerlijkheid en trouw aan zijn woord, zoals dat in het verhaal Sir Gawain and the green knight tot uiting komt. Nog eerder dan zijn woord te breken, riskeert hij zijn lijf en leden door op de uitdaging van de Groene Ridder in te gaan. Als dat geen teken van toewijding is.

Het tweede blad vormt misschien wel de kern van het ridderschap. We zijn als mens allemaal met elkaar verbonden. Volgens het populaire six degrees of separation-principe zouden twee willekeurige mensen gemiddeld maar zes handdrukken van elkaar verwijderd zijn. Helemaal wetenschappelijk bewezen is dit niet, maar “you get the picture”: onze daden reizen de wereld rond. Hoe wij onze medemens behandelen, heeft gevolgen die verder gaan dan we zelf beseffen. Daarom is het tweede blad misschien wel het belangrijkste van de drie. Dit blad bepaalt immers wie we zijn op moreel vlak.

Een echte ridder verdedigt het Goede en strijdt tegen elke vorm van onrecht. Klinkt goed, maar dit levert al direct een moeilijke vraag op: Wat is dat “goede” eigenlijk?

WAT IS HET GOEDE?

Over deze vraag kan je lang over discussiëren- waarden zijn volgens sommigen nu eenmaal cultureel bepaald: wat goed is volgens een christen, is dat niet altijd voor een moslim, hindoe of atheïst etc. Om over politieke visies maar te zwijgen.

Toch zijn er bepaalde universele waarden te ontwaren. De belangrijkste hiervan is de heiligheid van een mensenleven  Dit vind je terug in het vijfde gebod uit het Oude Testament (“Je zult niet doden”) of in de uitspraak “Wie één mensenleven redt, redt de hele wereld” uit de joodse Talmud. Ook de Koran bevat een gelijksoortige uitspraak: “Wie een mens doodt, is alsof hij de gehele mensheid heeft gedood, en wie iemands leven redt is alsof hij de gehele mensheid heeft gered.”


Een mensenleven redden is met andere woorden nooit slecht. Alleen is “Doe niemand dood.” misschien net iets te minimalistisch als morele code.

Gelukkig is er nog minstens een ethische regel waarover weinig discussie bestaat: de zogenaamde “Gulden Regel”.

De Gulden Regel, een universele leefregel, is zowel eenvoudig als diepzinnig en kent vele varianten. De versie uit het Nieuwe Testament vinden we zowel in het evangelie van Mattheüs en Lukas terug en gaat als volgt:

‘Behandel andere mensen dus zoals je zelf graag behandeld wilt worden.”

Dit idee kom je niet alleen tegen in het christendom. Ook andere religieuze tradities kennen een gelijksoortig gebod. Zo komen we de volgende varianten tegen:

“Wat wij niet willen dat anderen ons aandoen, moeten wij ook anderen niet aandoen.” (Confucius)

“Niemand van jullie is een gelovige tenzij hij zijn naaste toewenst wat hij zichzelf toewenst.” (de profeet Mohammed)

“Kwets anderen niet met wat jou kwetst.” (Boeddha)

De Gulden Regel is, jammer genoeg, niet waterdicht. Volgens deze regel zou iemand met een alcoholverslaving de rest van de wereld mogen dronken voeren. Of een masochist zou iedereen een mep mogen verkopen: wat je zelf leuk vindt, is vaak een kwestie van persoonlijke smaak.

In de achttiende eeuw bedacht de Duitse filosoof Immanuel Kant daarom een nieuwe versie van de Gulden regel. Na wat denkwerk kwam hij uit op de volgende regel, zijn zogenaamde “categorische imperatief”:

‘Handel uitsluitend volgens een stelregel waarvan je tegelijkertijd zou willen dat hij een universele wet wordt.’

Deze leefregel lijkt een goede basis voor een moreel hoogstaand leven. Als iemand een bananenschil in de tuin van zijn buren wil gooien, moet die zich een wereld voorstellen waarin iedereen een bananenschil in de tuin van zijn buurman mag gooien (en dus ook in die van zichzelf).

Of stel je de volgende situatie voor: Persoon A rent naar de supermarkt en ziet een lekker uitziende watermeloen. Hij heeft ontzettend veel zin om er een paar happen uit te nemen. Echter, als iedereen dit zou doen, zou er geen watermeloen meer overblijven voor anderen om van te genieten. Dus, volgens de categorische imperatief zou persoon A moeten beslissen om de watermeloen met rust te laten, om zo een wereld te creëren waarin iedereen de watermeloen kan kopen die hij wil.

Of om terug te komen op ons voorbeeld uit de inleiding: als Neymar met een privé-Boeing de planeet gaat rondvliegen, dan moet hij aanvaarden dat iedereen dat mag doen. Dan kan hij niet anders dan inzien dat zoiets op een totale natuurramp zou uitlopen.

Of als een niet nader te noemen voetbalofficial na een overwinning een speelster een kus op de mond geeft ook al heeft die daar geen zin in, dan moet hij aanvaarden dat gelijk welke man ook zijn echtgenote, moeder of dochter op dergelijke wijze mag bejegenen.


Je ziet, de categorische imperatief helpt om ons eigen gedrag onder de loep te nemen.


Na de vraag “Wat is goed?” rest er ons een tweede, nog complexere, vraag: hoe meet je goedheid?

HOE MEET JE MILDHIED?

In tegenstelling tot fysieke of intellectuele prestaties is sociaal gedrag veel moeilijker te meten. Een ding is zeker: in deze categorie is een mensenleven redden het hoogst haalbare. De rest is een stuk vager. Voor de rest gedijt mildheid het best in de schaduw. Wie zichzelf op de borst klopt, loopt het risico zijn goede daden teniet te doen. Je kan zelfs stellen dat elke goede daad die op sociale media wordt geadverteerd, ophoudt een goede daad te zijn. Anderzijds mag je best wel trots zijn op je goede daden; daar is niks mis mee. Je mag zeker je goede daden vastleggen in een dagboek of op het Gouden Blad. Meer nog, op momenten van zelftwijfel of bij gevoelens van mislukking , kan het helpen om terug te denken aan de dingen die je WEL goed hebt gedaan.

Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt. Jeroen Brouwers  –

Gawains uitdagingen

Voor dit deel hebben we ons laten inspireren door de Bijbel en meer bepaald door de zogenaamde werken van barmhartigheid. Dit is een lijst van manieren waarop gelovigen hun goede inborst konden laten zien.

In totaal zijn er zeven werken van barmhartigheid:

1. Hongerigen voeden

2. Dorstigen te drinken geven

3. Vreemdelingen onderdak bieden

4. Naakten kleden

5. Zieken bezoeken

6. Gevangenen bezoeken

7. Doden begraven

Met wat goede wil en fantasie zijn bovenstaande regels zeker te integreren in het dagelijkse leven (hoewel nummer zeven in de praktijk wel voor problemen kan zorgen). Zo kan je organisaties steunen die zich bezighouden met armoede of kan je zelf als vrijwilliger de armen uit de mouwen steken. Laagdrempelige initiatieven als http://www.giveaday.be helpen je om vrijwilligerswerk te vinden dat bij je past. Soms hoef je het zelfs niet zo ver gaan zoeken: wie opmerkzaam is, vindt altijd wel iemand om te helpen.

Uit de werken van barmhartigheid distilleren we een lijst met uitdagingen die je een groeiring opleveren:

  1. Het redden van een mensenleven is in alle filosofische systemen het hoogst haalbare en levert dan ook – als enige – een gouden groeiring op. Aan deze uitdaging zijn wel twee voorwaarden verbonden: de persoon die je redt mag geen familie zijn en de redding zelf moet ook enig risico voor de redder met zich meebrengen. Preventieve acties – hoe nobel ook – tellen dus niet mee in deze categorie.
  • 50 uur vrijwilligerswerk doen: werken met mensen met een handicap, bejaarden of andere kwetsbare groepen verdient hier de voorkeur.
  • Een tiende van je spaargeld wegschenken aan een goed doel.
  • Met 100 onbekenden een gesprek(je) aanknopen.
  • Een fundraiser organiseren en de opbrengsten aan een goed doel schenken.
  • Een dier uit een asiel adopteren en minstens een jaar verzorgen.
  • 30 keer boodschappen doen voor iemand die dat niet zelfstandig kan: ook praktische dingen kunnen van onschatbare waarde zijn en het leven van onze naasten verbeteren.
  • 100 keer een onbekende doen glimlachen: lachen is een van de meest universele uitingen van geluk. Humor helpt ons als geen ander onze problemen en eigen situatie te relativeren – en dat over alle culturen heen.
  1. 100 dagen na elkaar een goede daad doen.